TROUWE BET 135
men. En al liet je al je kasten open — je hoefde ’r niet naar om te zien. Nog geen korrel suiker nam ze. Ze wist het onderscheid tusschen ’t dijn en mijn.
Nu ben ik aan de catastrophe.
Bet was vroeg gekomen, had haar werk in de puntjes verricht, zou ook den zolder een stevig beurtje geven.
Net was ze boven, toen een slag haar deed opschrikken een slag waarbij je hart stil stond.
Zoo snel ze maar kon — Bet raakte op jaren — klauterde ze de zoldertrap af.
O! O! Wat een gezicht! De ouwe juffrouw die den looper van de benedentrap had willen glad-trekken, was duizelig geworden, lag bewusteloos in het steenen portaal. Wat ’n slag moest ze gedaan hebben! Wel dertig treejen!
„O, meneer!” gilde Bet.
Meneer had niks gehoord. Die was doof.
Jammerend liep Bet de voorkamer in, schudde den slapenden ouden man.
Suf sukkelde hij mee. En angstig keken ze boven toe, zagen het lichaam als een hoop kleeren en een langzaam kruipende lekstreep bij het hoofd.
Toen begon de ouwe zóo te weeklagen, zóo te roepen, dat de buren van benejen aanschelden, ongerust over het gegil.
Bet trok de deur — boven — open, de buren schrikten terug.
Er was een heele plas bloed.
* *
*
Het werd een angstig geloop.
Buurvrouw was al weg om een dokter, Bet en buurman droegen de juffrouw de trap op. Je werd er ziek van. Langs de heele trap lekte het bloed,