130 DE KRANS.
en hij werden gevierd. Ze hielden geen oog van hem af. Hij hoorde ze aan de stamtafel fluisterend spreken over den krans — over zich zelf. Artistiek, kortaangebonden dronk hij het grogje, betaalde — de zaak werd eenigszins duur — nam den krans over den arm (ditmaal gelijk eene burgerjuffrouw die met haar beugelmand naar de markt gaat) en verliet het café, rustig maar statig als een mannetjespauw. Ditmaal had hij de critieken van de Purmerender noch van de Kennemerland vertoond. Per slot van rekening hadden ze aan zijn krans en aan zijn mimiek Napoleon I (slag bij Waterloo of St. Helena) genoeg.
En naar mate hij meerder grogjes dronk en zich in meerder koffiehuizen der provinciestad vertoonden, steeg zijn hooghartigheid, groeide zijn grandezza.
Van het eene café ging hij naar het andere, overal strak-kijkend, den mond trotschlijk omrim-peld, het voorhoofd geplooid als dat van een betoo-gend wijsgeer — den krans (ja, daar zat ’t ’m in) zèèr nonchalant over den schouder, den arm of in de hand. En langzamerhand gevoelde hij zich zoo artistiekig-gelukkig, dreef zulk eene zoete weelderigheid in hem op, dat hij moeite had in den passenden kunstenaars-ernst te volharden, de schoone Caesar-rimpelen ongeschonden aan het koffiehuisvolk te vertoonen.
* *
*
Eerst tegen den vroegmorgen begeleidde hem een goedwillig nachtwaker naar het hotel. Zijn oogen branderig-bloedend, geleken het hoofd uit te kollen. Er was eene voorname stilzwijgendheid in zijn doen. Nog was zijn gebaar schoon, zijne mimiek