DE KRANS. 129
„ ... De critiek meneer — da’s over ’t algemeen niks — daar geef ik niet zooveel om — allemaal vrindjessysteem — en geen cent verstand van ’t tooneel — niemendal. — En je mot niet gelooven, meneer, dat ik dat zeg, omdat ik reden van klagen heb! Om den drommel niet. Ik heb critieken die gelezen mogen worden, dat zal ’k je bewijzen, maar niet zóóveel geef ’k er om! ....”
Bedaard nam Bokje de portefeuille uit z’n zijzak, vouwde de knipsels uit de Purmerender Courant en de recensie van Kennemerland open: — „Wat
lees je hier meneer? : Ook de heer Bokje
VERVULDE ZIJN ROL MET GROOT TALENT. HEM
komt een woord van lof toe ... En wat lees je hier: De heer Bokje had een prachtigen kop gemaakt. — En niks, geen sikkepit geef ’k om die recensies, meneer. Daar heb jem’n woord op...” Onverschillig stak Bokje die knipsels weer in z’n portefeuille — en zweeg. Na een paar minuten stond hij op, betaalde, ging heen, plechtig het algemeen gekijk verdragend. Den krans hield-ie nu in de hand, gelijk een voorzitter van een feestvierings-comité die een toespraak tot een jubilaris zal houden. Buiten bedacht hij zich even. Toen stapte hij het huis van den buurman binnen. Oók een café. Daar zat een heele ris stamgasten om de leestafel. Nieuwsgierig keken die op. Bokje stapte de heele zaal door, een paar dozijn ledige tafeltjes voorbij, zat opnieuw. En na een korte stilte riep hij aristo-cratischer dan zoo even: „Enneemèèè!” — De krans lag breeduit op het marmerblad van de tafel.
„Cognacgrogje!” Dat was verkeerd. Had hij het bij biertjes gelaten, dan zou het geval minder chagrijnig zijn afgeloopen. Maar hij wou. Ze waren nu eens pleizierig uit, z’n krans en hij. Z’n krans en hij konden zooveel weelde niet verdragen. Z’n krans
Schetsen Falkland. IV. 9