DINGEN DIE GEBEUREN. 123
sinaasappelkist onder den arm, hechtte het zeil opnieuw in de ringen van den wagen.
Ik had niets te doen, keek hem na.
Het was een triestig gezicht — die doornatte oude man met z’n grove schoenen en afgetrapte broekspijpen op het kiezel veld van de begraafplaats.
Er kwam een andere man op hem toe. Ik zag de twee met mekaar praten in den regen en den koopman iets zoeken in z’n zak.
Toen liepen ze beiden den weg op naar de graven.
En eerst toen begreep ik dat er een lijkje in die kist moest liggen, dat er een vader liep met een kindje onder zijn arm.
Zachtjes wandelde ik mee, niet uit nieuwsgierigheid, in vèrwöndring. Ik kon me bedriegen. Het leek zoo ruw en onmooglijk — een kar met vaatjes en rommel, een natte kar door een hond getrokken — een kinderlijkje.
In een groote stad leer je de dingen bij brokjes en beetjes. Eiken dag wat nieuws. Zoo interessant. „Greif nur hinein ins volle Menschenleben." Eiken dag stof. Nooit raak je uitgeput, nooit uitgeleerd.
Ik bedroog me niet.
Er was heusch een grafje met een withouden paaltje en een versch-geklad nummer.
De sinaasappelkist werd er in gelegd.
De man liep in den regen naar zijn wagen terug.
„Afgeloopen meneer.”
En we gingen van mekaar. Hij den Diemerweg terug — ik naar de Weesperzij
Om den hoek zag ik hem voor ’t laatst.
* *
*
’s Middags liet ik me scheren. Ik woon in die buurt. De barbier — die geen aanspreker is —