PER TELEPHOON.
Burksen was naar de veemarkt geweest, kwam eerst tegen den namiddag thuis. In den ruimen slagerswinkel waren de knechts bezig beenderen af te krabben. Jan hakte naarstig gehakt.
Ze grinnikten toen de baas zijn jas uittrok en den hangriem om den dikken buik gespte.
„Niks geweest?” vroeg Burksen.
„Nou öf,” antwoordde Jan, geheimzinnig de lippen plettend.
„Wat dan? Wat dan?” zei Burksen ongeduldig.
„De ooievaar!” schaterde Jan en de andere knechts stonden te schudden van pret.
„De ooievaar? — De ooievaar? Wat klets je toch!” viel de patroon ongeduldig uit.
De deur van de winkelkamer werd geopend en zijn vrouw wenkte verlegen. Nijdig stapte Burksen naar achter.
„’t Is me wat móóis,” zei zijn vrouw bezorgd en ze sloot de deur.
„Praat toch niet met halve woorden!” snauwde hij.
„Antje heeft ’n kind gekregen” ...
„Antje?” herhaalde hij zoo verbluft, dat de vrouw te lachen begon.
„Antje!” .. .
Schetsen Falkland. IV. 113 8