VERBETERDE METHODE. iir
En de oude woede van verwaarloosde vrouw kwam in haar boven.
„Kobus! Hé!”
Hij sliep.
„Kobus! Hoor je niet?”
Slaapdronken draaide hij zich om.
„Waarom ben je zoo laat thuisgekomen?”
„Laat me met rust,” zei hij slaperig.
„Je ligt pas! ’k Heb je wel gehoord!”
„Niewaar! ’k Leg al ’n paar uur.”
Zij, woedend, stond met gebalde vuisten voor het bed maar denkend aan den eed hield ze zich in, — Ze had ’m graag ’t onschuldig pak slaag gegeven, dat hij, lobbes, zich door haar kleine handen liet geven.
Maar de eed, de eed. In haar woede liep ze om de tafel. Lodderig lachend keek hij haar na. Toen nam zij om zich te luchten het botervlootje op, smeet ’t naar z’n hoofd. Hij schoot onder de dekens — zij, driftig, liep de kamer uit, kroop in het andere bed, waar ze huilend lag na te denken over zooveel leed....
* *
*
’s Morgens werd hij op een rare manier wakker. Het vlootje was gevallen achter-in de bedstee; de boter, er uit gegleden door de warmte, lag gesmolten en vettig op het kussen. Z’n gezicht glom alsof het geolied was.
„Er is iets gebeurd,” peinsde hij, zich niet meer herinnerend,
Suf zat hij op in bed. Zij norsch, kwam binnen, zag hem met het beboterde hoofd, beet zich op de lippen, schaterde het uit.
Zoo iets zag je maar eens in je leven. En plotseling wist hij.