VERBETERDE METHODE. 109
„Ik wil ’r ’n eed op doen, Kobus!... Ik wil je zweren dat ’t niet meer gebeuren zal, als je wat
vroeger thuis komt ”
„Geen als, mevrouw! Ik schei!”
Hij profiteerde van de gelegenheid, ’t Was tè zeldzaam dat hij durfde. Doch verschrikt door zijn geweldige houding stond zij op, viel hem om den hals.
„O, lieve Ko — ik zweer je dat ik je nooit, nooit meer zal anraken! Ik ben zoo zenuwachtig als Tc ’t doe! ’t Is niet om je pijn te doen! Ik kan me niet inhouen. Toe, je weet wel dat ik van je hou. Ik beloof ’t je plechtig!”
„Zul je nóóit meer je hand tegen me opheffen?” „Nooit! Nooit!”
„Onder geen omstandigheden?”
„Liever verdrink ik me!”
Zoo sloten ze vrede.
* *
*
Maar de avond.
Hij was uitgegaan. Om elf uur zou hij thuis komen. Ze had haar krantje gelezen, haar tukje gedaan. Gezellig als je je man wacht. Tegen negen liep ze uit, kocht een busje sardines, een half pond beste natuurboter, boter die énkel room leek. Daar hield-ie van. Neuriënd dekte ze de tafel. In geen weken hadden ze samen gesoupeerd. Nou nog ’n fleschje bier en dan was ’t ’r.
Toen tukte ze nog eens in. Ze werd al wat ouwer. Het haar begon aan de slapen te grijzen, de trekken waren scherper geworden. Dikke zes jaar getrouwd en over de dertig toen ze naar het stadhuis reed. Hij was precies twee jaar jonger Met de ellebogen geleund op de tafel sliep ze, soms wakker