En wat geschiedde daar? Het is de wereld maar al te zeer bekend.
Ontstellend dreigde ook daar het gevaar, dat de Joodsche pionier het slachtoffer zou worden van den nimmer rustenden vijand. Toen moest des avonds, na gedane arbeid, het gereedschap d vredes geruild worden voor het geweer en dat dit doeltreffend gehanteerd werd, bewezen de gesneuvelde aanvallers. Met de wapens in de vuist moest, met opoffering dikwijls van eigen leven, het tot stand gebrachte verdedigd worden tegen de opgehitste en omgekochte Arabieren. Ziet daar is het bewijs geleverd, dat een door eigen krachten georganiseerde afweer, succes kan hebben. Of deze Arabieren nu betaald werden met marken afkomstig van het Rijkspropaganda-ministerie te Berlijn of door uit Rome gezonden lires of dat het vuurtje aangewakkerd werd door belanghebbende Engelsche politieke partijen, — een schokkend feit bleef het, dat al het zoo moeizaam verkregene bijna weer vernietigd was. Maar dat alles is al weer geschiedenis. De meest kenmerkende eigenschap van den Jood is zijn vergevensgezindheid en zijn geduld.
Nu echter dient het werk in Palestina aangepakt te worden met een heilig en zuiver fanatisme. Het lot der Joden hangt af van wel of niet slagen. Is het niet om in wanhoop uit te barsten, als men bedenkt, dat terwijl er in Europa honderdduizenden naar de gaskamers geleid werden, er in Palestina gesnakt werd naar nieuwe krachten?
92