kijken beiden naar de schepen, die al een rood en een groen lichtje in de masten hebben. Eerst gaat hij de stad in, vertelt de bloemen-man, en wordt dan dood- en doodmoe op zoo'n warmen dag; en als een soort kleine vacantie voor eiken moeilijken karrendag beëindigt hij zijn tocht langs de haven. Eigenlijk had ik zooiets verstandigs en ver-frisschends direct kunnen ondernemen — ik hoef nog niet met een bloemenkar eerst door de stad te sjouwen op zoo'n eersten warmen voorjaars-Zaterdag. Het was evenmin noodig geweest juist nu naar een tentoonstelling van bloemenstillevens te gaan, netjes gekleed als al die andere menschen, die ik zooeven nog onuitstaanbaar vond — ik had niet treurig hoeven te worden om seringen-herinneringen en ik had ook niet een beetje comedie hoeven te spelen met een man met een sik uit het pluche-tijdperk — ik deed eigenlijk of ik best nog 3000 Gulden had. En ik heb nog precies twee dubbeltjes, een dubbeltje voor de narcissen en een dubbeltje voor een paar haringen. De haringman denkt, dat ik een geweldig goeie bui heb door het mooie weer, omdat ik ineens om de 3000 Gulden lachen moet. Maar ik heb ook een goeie bui — niets is aardiger dan een paar haringen te koopen