hebben — alle heer en en jongelui hebben een vulpenhouder en andere houders in hun jas-zakje. Iedereen heeft iets; het is een groot geluk iets te hebben. Alleen ben ik tegen de plus-fours; misschien zijn er in andere landen heeren en jongelingen, die zoo iets kunnen dragen — voor de Amsterdamsche jongelingschap acht ik het een dracht te verbieden met onvoorwaardelijke straf. Het is of deze plusfours de jeugd baldadiger, onaangenamer en vooral leelijker maken dan strikt noodzakelijk is — ja, erger, het is of de jeugd van de jeugd ergens naar beneden gezakt is in een paar dwaze poefen, die steeds öf te laag öf te hoog zitten.
Maar ik schijn toch in een pessimistische bui te zijn, wat gaan mij de plus-fours aan — dat is een staatsaangelegenheid, die onder uniformverbod zou moeten vallen, geloof ik. En er zijn zooveel mooie dingen om naar te kijken, vooral nu het wat schemeren gaat. De bloemenstalletjes staan als groote bouquetten tegen de hoeken van de straten — en hoewel het eigenlijk de tijd van de narcissen en hyacinten is, zijn er ook al seringen te krijgen. Ze ruiken naar niets, deze seringen — niet naar herinneringen, niet naar Lente en ook niet naar seringen — ze ruiken afgrijselijk