NATURE MORTE — NATURE VIVANTE.
Het is geen gelukkige gedachte om op een Zaterdagmiddag in het vroege voorjaar naar een tentoonstelling van bloemenstillevens te gaan — o, op zich zelf verrukkelijke stillevens, ik hoef alleen maar Verster, Fantin Latour, van Gogh, Rousseau en Breitner te noemen. Maar ik geloof, dat zelfs deze Meesters der schoonheid onaangenaam getroffen zouden zijn geweest, zich zelf zoo dicht naast en bijelkaar te zien — als een postzegelver-zameling. En het was een deftige kunstzaal (hoe kan het anders bij deze namen) met veel pluche en zoo. Nergens schijnt de zon dwingender en melancholischer dan over pluche, in stofspiraaltjes — dezelfde stof-spiraaltjes van het pluche uit mijn jeugd. De Heeren van de kunstzaal waren ook uit de pluche-periode, met sikken en snorren en ze keken me erop aan, of ik nog koopen kon of niet. Ze konden het niet zien — ik zorg er altijd voor eenige goede kleedingstukken te hebben tegen dat het me slecht dreigt te