oogen, en alle zorgrimpels, vooral die twee lange van neus tot mond, die hij gekregen heeft van het teveel kaken-op-elkaar-klem-men uit nood, zorg en ellende „van ons soort mensche" zijn verdwenen door het kaarslicht. Kaarslicht is zacht en goud en glanzend. De margarine ziet er als echt verschgekarnde boter door uit. Karei geeft me zorgvuldig het geld terug, dat van de twee kwartjes over is, die hij mij geleend heeft. „Nou heeft u zich de heele dag zoo goed gehouden", zegt Karei en hij kijkt me onderzoekend aan, „mot u nou gaan huile?"
Ik huil niet, Karei, 't is het kaarslicht, dat mijn oogen vochtig doet lijken — en die twee kwartjes van jou, „van jou soort mensche"....