HAAT IN DEN NACHT.
Het mannetje was verblind door haat en door een kwaden dronk. Zijn haat was groot en alles omvattend, hij moest hem uitbrullen en den wereld kond doen — anders was het heelemaal niet meer uit te houden en zou het een haat om in te stikken geworden zijn. En tegen 1 uur in den nacht een kwaden dronk te hebben op glad, glimmerig asphalt onder het kille licht van een straatlantaarn is ook al voldoende, om in waanzinnige onmacht al wie maar hooren wilde den dood door verstikking toe te wenschen: „stik de moord, verdomme," inviteerde het zuiplapje dreigend en drenserig — „stik de moord voor de donder!" —
Men is op zijn Zondagsch uitgedost geweest met een door breed rips lint versierden lichtbeige gleufhoed en een paarsachtig bruine overjas, waar het figuur van een ander in zit, want zulke schouders bezit men zélf niet — zelf is men miezerig en sluik — heele stukken van dien ander steken er aan den kant uit. Maar dat hindert heelemaal niet; men heeft