kamer, en zijn verwerkte handen met roetzwarte nagels staken zonderling tegen het Brits Indische tafelkleed af; het gloeide zo rood en brutaal, ineens, dat kleed, en die handen waren zo grauw en zo raar bezig met de puzzles waar ik niets van begreep: de cijfers moesten allemaal bij elkaar uitkomen en aldoor werd er met die houten blokjes heen en weer geschoven. En het gezicht van H. W. A. Davis was vlak bij het mijne. Het was een gezicht met een grijns en een dodelijke treurigheid. De grijns was listig door de kameraadschap met de Dood en het handig puzzles-uitvinden-kunnen, waar die stommeling met d’r therapie niks van scheen te begrijpen. De dodelijke treurigheid was door al het mislukte van het leven, de dikke vrouw, die hem in de steek had willen laten, en de uitvindingen, die niemand hebben wou; niemand wou zijn uitvindingen, zelfs het kruis niet, dat in en uit elkaar genomen kon worden.
Alleen de Broeders de Deo hadden het prachtig gevonden, dat kruis vooral, het goede heilige kruis. En ik geloof, dat ze de handen van H. W. A. Davis stevig gedrukt hebben, zoiets heeft hij mij eens verteld: ’Dat waren mènse, ze hebbe me hande gedrukt en met me gesproke en me verpleegd, of ik derlui kind was... toen al dat bloed uit m’n strot kwam, dat ware mènse, daar benne d’r maar weinig van, snap je...’
God, wat zeggen die grauwe slappe handen, al puzzles verschuivend, me ineens veel. Ze zeggen alles: jij hebt wel koffie en lauwe melk gegeven en arbeids-therapie... maar je hebt ons niet gedrukt, de handen van H. W. A. gedrukt, en stevig beetgepakt heb je ons niet, omdat we nagels met zwarte randen hebben en omdat je niet in de schaduw van de Heilige Broeders de Deo kunt staan... dat zijn mense, begrijp je, mènse...