lijke, schoolse en alledaagse kwelduivels. Het is een der heerlijkste gewaarwordingen in dit bonte korte leven uit een dezer beklemmende nachtmerries te ontwaken en vlug mee te kunnen doen aan dit zoeven genoemde kleurige, al te snel zich afwikkelende bestaan. Goede sterke thee drinken in plaats van melk of spoelwater — in vertrouwde welwillende ogen zien in plaats van in wantrouwende en vijandelijke. Het werkelijke sterke leven zonder de maandelijkse rapporten op het gebied van wetenschappelijke dan wel huishoudelijke afrekening. Ik hoef geen leraren meer met eerlijke oogopslag trouwhartig aan te kijken, of ik er alles van begrijp, terwijl ik intussen denk ’stik vent’ - en het is ook niet meer nodig het balletje gehakt of de osselapjes, het eikenhouten theemeubel en de brutale kinderen van diverse hospita’s met walgelijke huichelachtigheid te loven en te bewonderen. Ik hoef haast nooit meer vals te zijn...
Maar ik zal met energie en objectiviteit gewapend kamers gaan zoeken voor anderen — voor verre buitenlandse familieleden. Ik denk dat een geraffineerde duivel uit de diepste onderwereld ternauwernood zulk een straf zou kunnen bedenken — het verhuren van kamers aan verre vreemdelingen, die d us dubbel vreemdeling zijn. En ik zal daar een soort impresariorol bij moeten spelen, zonder de aansporende tamtam en reclame, die anders inhaerent zijn aan deze bemiddelende functie.
Zou een impresario ooit derde klasse reizen en er op letten, dat iemand met een gleuf hoed scheef op zijn hoofd midden op de dag trompetachtig snurkt met zijn gezicht tegen de versleten voering van zijn opgehangen overjas — zou een impresario hier prompt moedeloos van worden? -Wat begint mijn onderneminkje al beroerd! En nu wij toch onder elkaar zijn, u en ik en mijn imaginaire impresario, kan ik meteen de openhartige vraag stellen: Zou een impresario ooit verlegen zijn en zich generen voor de rare, pijnlijke en onverwachte dingen, die een ander doet in