Rasji en verzocht hem bij hem te komen, daar hij hem wenschte te raadplegen. Maar Rasji weigerde te komen.
Toen de Hertog vernam, dat Rasji niet bij hem wilde komen, verdroot het hem, dat een Jood hem, den machtigen heerscher, iets durfde weigeren.
De Hertog trok met heel zijn leger naar Worms, naar het huis van Rasji. Godfried vond alle deuren van het huis open en de boeken lagen geopend op de tafel. Maar niemand zag hij in het huis.
Toen riep de Hertog luider stemme: Sjlaume, Sjlaume, waar zijt gij?
En Rasji antwoordde: Wat wenscht mijn Heer? En weer riep de Hertog: Sjlaume, waar zijt gij? En Rasji antwoordde hem: Hier ben ik, mijn Heer!
Zoo vaak als de Hertog hem riep, gaf Rasji antwoord, maar de Hertog zag niemand.
Ten zeerste verwonderd verliet de Hertog het huis. Hij ontmoette een van Rasji’s leerlingen en vroeg hem: Woont Rasji hier?
En de leerling antwoordde hem: Ja, Heer, hij is mijn Meester.
Toen sprak de Hertog tot den leerling en zeide: — Zeg je Meester, dat hij bij mij moet komen.
120