48
Tot de verboden, die op de voortbrengselen van het plantenrijk betrekking hebben, behooren:
a. כלאים• Vermenging van verschillende zaad-soorten met het zaad van eenen wijnstok; enting van ongelijksoortige boomen en struiken of van groenten en boomgewassen.
b. ערלה. De vruchten van vruchtboomen gedu-
T .T
rende de drie eerste jaren na hunne planting.
נטע רבעי •»־• De vruchten van het vierde jaar moeten voor eenig bedrag gelost en het losgeld eerst onbruikbaar gemaakt en dan in het water geworpen worden.
3f .
Het ongeoorloofde van spijzen of dranken gaat ook over op de vaatwerken of gereedschappen, waar-mede zij in aanraking waren en die dus op eenige wijze bestanddeelen er van hebben opgenomen.
Wanneer dus vaatwerken of gereedschappen met ongeoorloofde spijzen zijn in aanraking gekomen, of die, welke voor vleeschspijzen bestemd zijn, met melk-spijzen of omgekeerd, of ook wanneer wij reeds ge-bruikte vaatwerken of gereedschappen voor keuken- of tafelgebruik van niet-Israëlieten of van in dit opzicht minder vertrouwbare Israëlieten gekocht hebben, dan moeten deze eerst eene zuivering (הגעלה of הכשר)
T T : • •* J V
ondergaan, die ten doel heeft, de opgenomen onge-oorloofde bestanddeelen er uit te verwyderen.