90
3. eene vrouw, wier vader een כהן en wier moeder eene vrouw is, die déze als p’3 niet had mogen huwen (חללה);
TT*:
4. eene oorspronkelijk niet-Joodsche vrouw, die tot het Jodendom is overgegaan (גיורת)•
Het huwelijk met niet-Joden is ons allen ten strengste verboden. De getrouwe handhaving van dit verbod is de onontbeerlijke grondslag voor de instandhouding van onzen Godsdienst. Het aangaan of bevorderen van een zoogenaamd gemengd huwelijk is een onmiddellijke, openlijke aanval op het gebouw des Jodendoms. Ook de zoogenaamde overgang van den niet-Joodschen man of vrouw lot het Jodendom, om dan met Joden in het huwelijk te treden — zooals deze helaas ! hier en daar geschiedt — is slechts een middel, om het gemengde huwelijk met zijnen voor ons geloof zoo doodelijken invloed in verdekten vorm mogelijk te maken. Overgang tot het Jodendom erkent onze Godsdienst alleen en uitsluitend uit zuivere, heilige en degelijk beproefde overtuiging, zonder de minste nevenbedoeling.
Een huwelijk, dat niet om een der genoemde redenen verboden is, geldt dus als wettelijk geoorloofd. Maar, niet ieder zoodanig huwelijk is ook godsdienstig en zedelijk gewenscht. Immers, zal eene echtver-bintenis aan hare heilige bestemming beantwoorden, dan moet dit bovenal door den aard der verbintenis zelve mogelijk gemaakt werden. Niet het vermogen