mekander onder den voet loopende letterkundigen» die zoo in den triestigen waan van den dag begraven zijn, dat zij telkens weer de onderlinge journalistiek als fijnproevers op de tongspitsen keuren, herkeuren, haar als rijpe letterkunde ophemelen, en niet beseffen, dat ’t alles de dood in den pot, den massalen eeuwigheidspot, is.
Ik geloof niet in dezen tijd, niet in ’n eindelooze reeks mannen-van-naam, niet in de meest-geheide reputaties. Het stof ligt ’r duimdik bovenop.
Hoe grooter uiterlijke bloei in ’n wormstekige periode, hoe vermolmder de kern.
Hoe meer er te zeggen valt, hoe hardnekkig-principieeler ze lam-getheoretiseerd zwijgen.
De journalisten, die zich letterkunstenaars wanen de allerbeste letterkundigen, die journalisten zijn —* parasiteeren buiten hun Gemeenschap.
Ze geven zich niet aan die Gemeenschap, omdat ze in hun verdwaasdheid, hun ik-gedoe, dat 't zonder normale hoorders meent te kunnen stellen, ’n pretentieus schoonheids-paleisje hebben geknutseld, waarin ze als nijvere aapjes mekanders vlooien-foutjes zitten te vangen, en daarbij, met peinzende gelaatjes, wijsgeerig den eigen, afzonderlijken, voortreffelijken Hemel bedroog-neuzen.
Over 'n halve eeuw —* laat me in redelooze herhaling vervallen : ’k kan ’r vandaag niet buiten! over drie-kwart eeuw, zijn wij mannetjes-van-naam ’r niet meer kwek-keren weer anderen met dikke strotjes.
Het onomwonden te getuigen is 'n behagelijke zelfkastijding. Maar. Er is een maar.
En bij dat „maar” begint ’t onderscheid tusschen de aan deze zijde denkenden en de doode materie, die thans de letteren-macht in handen heeft.
Zoo innig als we de tweelingbroeders litteratuur en journalistiek, om hun waardeloosheid voor de huidige en komende Gemeenschap verafschuwen, zoo klaar en overtuigd staan we naast de daad van het zich ondergeschikt maken, de daad der saamhoorigheid, de daad der verantwoordelijkheid, de daad der toegewijde schakeling in gemeenschapsdienst.
90