86 TWEEDE BEDRIJF, TWAALFDE TOONEEL
duld van meegebracht. En laten jullie je hoofdjes niet hangen. We eten tenminste vandaag nog warme rollade. . . .
Moeder:
. . . Daar zal je alvast na kunnen fluiten!
M a t h ij s:
Dan zal ik daar naar fluiten. . . .
Moeder (heftig tegen Sonja, die in lachbui schiet) :
Schei uit met je lachen! Schei uit!
M a t h ij s:
Schei niet uit, Son! Hou 'r den moed in, meid! Al raken we op 'n zolderkamer vier-hoog, al valt 'r niks meer te bikken — wij twee lachen, zonder om te kijken! ....
S o n j a:
Natuurlijk, vadertje. . . . Zoolang we heerlijk gezond zijn....
M a t h ij s:
. . . .Lachen we de stomme zorgen van ons sterfelijk hulsel, hahaha! 't Is zoo’n genot te leven, menschen! Als *t behoorlijk blijft sneeuwen, wachten we morgen den belastingbeul met sneeuwballen en eiken deurwaarder, die onze deur wil waarden, kogelen we de exploten uit z'n handen!.... Nou lacht Dorothea tenminste weer en Nap is z'n begrafenisgezicht kwijt — als jij nou ook nog je zoutzuilhouding van Lot bij 't vuur en de zwavel van Gomorrha laat schieten, Anna Maria Enzoo-voort, ga 'k met meer moed naar den man die me duizend en een nacht wakker gezweet heeft. . . . Blijf je zoutzuil? .... Dag! (fluitend naat de deur).