VIERDE BEDRIJF, VIJFDE TOONEEL 145
zoo lang. . . . zoo hoeveel jaren wel, hè? ... .
M a t h ij s (Abraham de hand reikend) :
. . . Nou Abraham? Scheien we als vrinden? .... Als 'k je patroon was gebleven, zou 'k geprobeerd hebben je mond open te houen (Sonja gaat naar *t buffetkastje) — en misschien heb ik me als patroon 'n boel te verwijten — maar 'k ben patroon af — en voor goed. . . . Als vrinden?
Abraham:
. . . Nee. Jij die me dat doet, jongeheer (rolt zn voorschoot op) ... zonder me weekloon — midden in de winter -— nee.. . Jij ben geen hand waard.... En 'k zal d'r schandaal over schoppen bij iedereen die 't hooren wil! (nijdig af).
Gr oot va:
. . . Gelijk! .... Gelijk het-ie. ... Ik mag me d'r wel niet me bemoeien — maar — maar dat doe je niet. . . .
M a t h ij s:
Lieve God, vader, vader! .... 'k Heb in geen nachten geslapen!
Gr 00 tva:
Ik ook niet. ... En je hoeft me niet zoo af te snauwen.... Ik zal wel weer te veel zijn.... (opstaand, naar keuken) . . . .Die Abram, die Abram is altijd 'n vrind — 'n vrind van me geweest. . . . Dat doe je niet, doe je niet. (af).
Mathijs (loopt heen en weer, ziet Sonja die met borden in de handen wezenloos bij 't buffet staat, neemt haar hoofd in zijn handen, kijkt haar even aan, kijkt, zich inhoudend, naar Stuifsand, kust haar op het voorhoofd, herneemt zijn gewandel.