144 VIERDE BEDRIJF, VIJFDE TOONEEL
onfatsoenlijk dat 't je bezocht zal worden. . . . Op staande voet laat 'k me niet midden in de winter. . . .
M a t h ij s:
. . . . 'k Heb je 't adres van den meneer opgegeven,, die je in mijn naam dat waar je récht op heb, uitbetalen zal — ik heb m’n betalingen gestaakt. Abraham. . . .
Abrah am:
. . . Goed, goed, jongeheer, ik zal na die meneer toe gaan, maar 'k zal 'n boekje van je open doen.... Da’s zóó gemeen, zóó min, zóó van-god-verla-ten. . . .
Grootva:
... Ja, waarom hij nou heen mot — waarom jij daar op staat....
M a t h ij s:
Toe, vader — maak jij *t niet nog moeilijker! Grootva:
. . . Jawel, jawel, maar. ...
Abraham:
... Ik heb met alles genoegen genomen — met alles.... en voor de toekomst as ze 't pand weer bijgebouwd hebben. .. ken je op me rekenen. .. Geef me afslag van loon, maar zet me niet op de keien — ik heb 'n vrouw — 'k heb 'n huis-houen....
M a t h ij s:
. . . Abraham, je schijnt 't niet willen begrijpen: de firma De Sterke is failliet....
Grootva:
. .Ja da's waar, maar da's al zoo lang gelejen. . *