VIERDE BEDRIJF
(Hetzelfde interieur van het vorig bedrijf. Van den uitbouw is alle behang door den brandt weg-gevreten. De steenen liggen, als in dreiging bloot. Het winkelraam van den erker is met planken bespijkerd. Daarboven hangen gedeeltelijk verkoolde flarden. Op de plek waar de werkbank gestaan heeft, zijn kisten en manden gestapeld, verhavende doozen, beschadigde poppen, door feilen zonneschijn beschenen. Wanorde in de kamer. Over vier stoelen droogt het vloerkleedje — de ballons van de kroon zijn gesprongen. Ook op de middentafel doozen en pakken.)
Eerste Tooneel
GROOTVA, MOEDER, DOORTJE, ABRAHAM
Abraham (komt uit winkel, terwijl grootva, moeder en Doortje onbewegelijk om kachel zitten. Hij begint stilzwijgend de doozen en pakken van middentafel naar binnen te verzetten) :
. . . .Hoe mot 't met 't kleed, juffrouw?.... Ze motten zóó hier zijn.. . (geen antwoord) . . .Nou as niemand 'n mond open doet, ken ’k de mijne ook houen.... (ontsteekt hanglantaarn bij kelderdeur, bij voortdurende onbewegelijkheid der anderen — stapt twee treden omlaag, licht de trap bij) . . . .Nee. . . . 't Water staat 'r nog net zoo hoog*. . De pakkisten drijven as zolderschuiten. .. Zal eerst leeggepompt motten worden. ... (blaast lantaarn uit) ... As ze de lantaarn had gebruikt, had 't niet kennen gebeuren, watte? (stilte) Watte?. . . . (Hangt lantaarn op, komt bij kachel) . . . .Enne niks, niemedal as 'k 'r van ge-