128 DERDE BEDRIJF, NEGENDE TOONEEL
S t uif s and:
.... Ik zal je wel helpen.... Ik klim als 'n matroos! (af in winkel).
Naphtalie (mee opstaand) :
. . . .Geef ze mij maar an, meneer! (af met Sonja, die de lamp genomen heeft).
Door t j e:
Dacht 'k 't niet — zoo toen zij opstond — stond hij op
Mathijs:
. . . Hebben wij ook gedaan, toen we jong waren! Moeder:
.... Ik speel — ik speel misère ouverte....
Doo r t j e:
.... Misère ouverte! .... Laat 's kijken .... Ken je toch laten kijken, Anna — daar gaat niemendal boven. ... (tot Mathijs) . . . .Wat zeg je van zoo'n bofferij? Daar heb ik de prachtigste solo in m'n handen — minstens zeven slagen....
Moeder:
Hahaha!.... Daar heb ik plezier van.. . Jammer dat zij net de glazen zoeken. . . . (Een gil en ’t geluid van brekend glaswerkJ.
M a t h ij s (opstuivend) :
Wat is dat?
Grootva (door gordijnkier) :
.... Allemachtigste God — allemachtigste God — brand! .... brand! .... brand in de winkel! ....
Naphtalie:
. . . .Son is gevallen! .... Weg!.... Weg! .... De plaats op! .... (Mathijs tegenhoudend terwijl