DERDE BEDRIJF, NEGENDE TOONEEL 125
Naphtalie:
. . . . ’n Wonder? .... Hoezoo! ....
M a t h ij s:
. . . . 'n Wonder.... 'k Ga, redeneerde 'k — ’k ga lucht en gros inslaan voor de heele komende week — je kan met je gewoon menscheverstand nooit weten of je in 'n week nog lucht geremitteerd krijgt — schudt jij dat spel, dan schud ik dit, Stuif, maar soliede schudden, dat de kleuren niet bij mekaar blijven plakken (schudt al pratend de kaarten) — nou en toen was ’k buiten de stad eer 'k 't wist — en 'n sneeuw — heerlijk — dat is magnifiek in de krakende sneeuw te kuieren — en opeens, als de weerlicht heb ’k nog net de tijd, om m’n eene voet terug te trekken, anders was-ie glad afgerejen — en ik *r onder geraakt. . . .
S o n j a:
. . . Onder wat?
M a t h ij s:
. . . Onder de electrische. ... Je zag geen rails door de sneeuw — je zag geen tram — ook door de sneeuw.... Menschen — jullie waren zonder ’n vloek en ’n zucht, als de assurantie niet gechicaneerd had, kapitalisten geworden. . . .
Stuifsand:
.... Kapitalisten? .... Heb jij zoo'n hooge levens-verzekering ?
M a t h ij s:
. . . Nee, Stuif, zooveel kan 'k jaarlijks niet potten, maar ’k ben voor twee tientjes tegen ongelukken geassureerd — 'n kwart ton, als je ineens dood ben, de helft als je ’n been of ’n arm. . . . Ja, ja!. . 'r Zit nog waarde in ’n oud karkas! ....
De Opgaande Zon 9