kou uit. De acrobaat voelt het aan, raakt wat uit zijn evenwicht. En ik zeg: ik ben getrouwd, ik ben erg gehecht aan mijn man. Ik zeg nooit: ik hou, want dat vind ik pathetisch. Jammer, zegt hij, jammer. We zijn even stil, de lichtjes tikkelen over ons gezicht, buiten drenst vaag een harmonika. Later brengt hij me naar mijn hotel, we lopen door nachtelijk Den Helder, gearmd, de actrice en de acrobaat. Voor de deur kust hij met grandezza mijn hand, ik lach, verdwijn, achter de hoteldeur.
Ik ga naar bed, vind dat ik een bijzonder fijne avond heb gehad, slaap zaüg en neem de volgende dag de eerste trein naar Amsterdam. Eric is terug van tournee, hij heeft gestoft en koffie gezet, hij ziet er prachtig uit in zijn nieuwe kleermakerspak. Ik denk aan de vele foto’s van Romeo, door hem gespeeld, die boven de bedden van jonge meisjes hangen. Deze man lijkt nu meer op een Romeo, dan de wat armetierige vent in het grauwe confectiepak, met het te kleine gleufhoedje en de onverzorgde lokken. Toneelspeler zijn betekent een gecontroleerd image hebben, je kan ongeschoren, doorgezakt, een jonge illusie verstoren. Hij is nu Romeo. Ik drink zijn koffie en vertel het verhaal van de acrobaat. Ook met de behoefte om hem jaloers te maken. Mijn man is echter een geroutineerd minnaar. Hij vertrekt geen spier van zijn gezicht en vraagt : nog een kopje ?
Een paar weken later lopen wij beiden door Haar-96