maar lopen, kutje, kutje met verlos, noemden ze dat aan het toneel.Nu ben ik een vrouw. Waarom zou ik geen drie mannen hebben ?...
’s Avonds wordt er gebeld. Het is Foei. Ik zie zijn gezicht vol verlangen, vol melancholie, zijn ogen overlopend van verborgen gedachten. Hij is eigenlijk veel meer naar mijn zin dan Jippy, ik hou van zwart haar, gebruinde huid. Hij vraagt mij, of hij zijn legitimatiebewijs bij mij heeft laten liggen. Foei is een man, die voor geen goud openlijk zal toegeven, dat hij om een vrouw terug is gekomen. Jaren later houdt hij nog vol, dat hij zijn legitimatiebewijs kwijt was. Ik schenk een neutje, hij ziet er zeer ernstig uit. Of ik wel weet, dat Jippy getrouwd is en kinderen heeft ? Ik zeg hem, dat ik dat wel vermoedde. Als ik nu de waarheid hoor en mijn vermoeden bevestigd is, word ik kwaad, niet omdat hij getrouwd is, maar omdat hij dus anderhalf jaar een zeer knappe komedie heeft gespeeld. Die kwaadheid vervaagt, als ik bedenk, dat ikzelf ertoe heb bijgedragen, dat hij loog, omdat ik het hem niet bepaald op een tactisch moment vroeg, of hij getrouwd was. Zijn trouwring draagt Jippy in zijn vestzak, vertelt Foei verder. Ik schenk neutjes, vraag me af waarom Foei me dat allemaal komt vertellen. Wil hij, dat ik met Jippy breek? Ik denk er niet aan. Ik laat dat malle clowntje niet in de kou staan. Bij wat Foei vertelt is een ondertoon van, men bedriegt je, ik wil niet dat je bedrogen wordt. Een soort respect voor mij. Of hij maakt zich dat wijs, om een breuk