Later hoorde ik, hoe alles gegaan was. Ze waren, na dienst de stad ingegaan, om een pilsje te drinken. Zaten aan een bar, begonnen te praten over vrouwen. Jippy aan het opscheppen natuurlijk. Drim zat naast hem, zwijgzaam, af en toe het juiste woord op de goede plaats inbrengend, rondkijkend met felle, donkere ogen, naar vrouwen. Foei, een beetje hooghartig, boven de beide anderen uit stekend door een helderziende intuïtie en wat meer autoriteit, omdat hij wel twee meter groot was, een machtige, donkere, imposante kerel, zat te nippen van zijn pils, luisterend naar Jippy. Met zijn drieën genietend van de gestolen vrijheid, de vrouwen weten toch niet, bij al die wisseldiensten, hoe laat ze thuis zullen zijn. Laatste rest van persoonlijke vrijheid, die ze niet willen loslaten, sinds ze in de oorlog, als pubers, door de Duitsers van hun werk zijn gehaald, jonge, sterke, productieverhogende arbeiders. Ze zijn er door in het buitenland terechtgekomen, in Duitsland. Ze hebben daar meegemaakt dat er iets anders is dan de sleur van het burgermansbestaan, de Jacob van Campenstraat en van der Helststraat-woninkjes, één, twee, drie hoog. Ze hebben in het buitenland midden in de oorlog gezeten, het was vervloekt angstig, je was dat als Hollander niet zo gewend, om in levensgevaar te zijn, door bombar-