ik zal weglopen. We nemen de bus, we nemen de tram, we gaan naar mijn huis.
Daar is mijn fijne bed, daar is de stilte van mijn persoonlijke geborgenheid. Ik kleed mij uit, hij kleedt zich uit, we zeggen weinig, kijken elkaar nerveus aan, nerveusheid die verdwijnt, als hij bij mij komt liggen. Hij bezit mij enkele malen, hij heeft een ideaal lichaam, hij is Apollo. Als we daarna rustig naast elkaar liggen en onze wonden likken, bekijk ik hem op mijn gemak. Hij voelt het, gaat naast het bed staan, met wijduitgestrekte armen, paradeert daarna heen en weer als een mannequin. Daarbij zet hij zijn uniformpet op, wat schuin, zeer pittig. Vanaf dit ogenblik tot aan het slot van onze verhouding moest ik altijd lachen. Er is geen man, die kans heeft gezien mij zo aan het lachen te maken als hij. Niet omdat hij zo geestig was, maar omdat hij een rol speelde, die hij niet van zichzelf wist. Hij had iets lichtvoetigs, of hij echt wel vleugeltjes aan zijn hielen had en met hetzelfde luchtige bedreef hij de liefde, of de seks, of hoe je het noemen wilt. Hij was onnoemelijk dapper in het beleven van zijn seksualiteit, hij beschouwde dit als zijn recht, deed gewoon wat hij wilde. Van het begin af aan heb ik mijn oude systeem om een man de gelegenheid te geven zichzelf te zijn, toegepast op hem. Hij voelde dit aan, begreep het niet, kende vrouwen als dwingelanden, moeders wil is wet, zocht er dus bij mij wat achter. Kon het niet uitvinden. Soms kon hij mij, met een komedianterige