Twee trouwhartige ogen onder de uniformpet. Het eerst vallen mij altijd ogen op. Twee trouwhartige ogen onder de uniformpet, een wat obscene, dikke neus. Een mooi figuur, sterk, niet zo heel groot, hij lijkt een kleine, dappere kerel. Ik zie vanaf het eerste moment, dat hij een komediant is, van top tot teen, voor zichzelf en voor anderen. Hij is goedhartig en onbarmhartig. Hij is volkomen man en een heel kleine jongen. Zelfs de trouwhartige, grote blauwe ogen spelen komedie. Mijn binnenpret is, dat hij niet merkt dat ik hem door heb. Door ? Met wat?
We staan tegenover elkaar en het spel begint. ‘Zullen we een bioscoopje pakken?’ vraagt hij. Ik denk er niet aan. Ik ken dat, achterste rij. Handje op je knie. Handje wat verder wil. In het donker lippen op de mijne. Dit primitieve schenkt mij geen lust. En de lust is gewekt. Ik voel me, sinds ik alleen ben, als een man die vriendinnetjes neemt. Dat recht heeft de man, dat recht heeft de vrouw. Ik wil naar buiten, zeg ik, het is zulk mooi weer. We nemen een tram, een bus, staan aan de Kalfjeslaan. Hij is verwonderd om mijn snelle reactie. Daardoor rangschikt hij mij bij de makkelijke vrouwen, ik daal hierdoor in zijn achting. Toch vindt hij, dat hij geluk heeft gehad. Na een wandeling door de