plannen om de groenhoedjes iets aan te doen, zodat ze zouden weten, dat wij er waren, de opstandelingen, ondanks de zwarte handel in de stegen, het hielelikken van verdienende landgenoten, want de stompzinnig grijnzende Moloch had de nering-doeners ondanks dood en verderf fiks te pakken. Overal was verraad. Toch was er ook overal een glimp van vriendschap, een grijpen naar je hand, een bemoedigend woord.
Eigenaardig was, dat Aart hoe langer hoe meer jaloers werd op mij, en op mijn verleden. Vooral op Eric. Toen ik een bespreking met Eric had over de kinderen, zat Aart me met glimmende ogen van venijn te bekijken, voordat ik wegging. Je hebt je veel meer opgemaakt dan je dat doet voor mij, zei hij. Een portret dat hij vond van Eric en mij samen, verscheurde hij, omdat hij vond, dat ik daarop ‘glansde’ en nog nooit zo gelukkig eruit had gezien met hem. Daarbij had hij het gevoel een achterstand in ervaring en gevoelens te bezitten, die hij snel moest inhalen, om gelijke tred met mij te kunnen houden. Ik had geleefd, hij nog niet genoeg. Ik bezat zekerheden en onzekerheden die hij ervaren moest, en wilde ervaren, om op zijn wijze, waardig mijn echtgenoot te kunnen zijn. Ik voelde de achterstand niet, hij wel. Hij dacht, dat ik elke man begeerde, omdat bij hem de begeerte naar vrouwen was gewekt.
Als ik over hem nadenk, word ik nog niet boos. Waarom boos zijn op een mens? Een mens is de