weinig te eten was. Daarna gingen we naar het Leidseplein, de gewone route van de oorlogszwerver. Om tenslotte terecht te komen bij Reynders en Eijlders. In het gezelschap van vogelvrije schilders en dichters verdronken we alle herinnering aan de nette burgerman in jenever. Vanaf die avond zou Aart een zeldzaam talent vertonen in het naar binnenslaan van ontelbare neutjes. Een burgerjuffrouw, of een naïeve vrouw, of hoe je het wilt noemen, zou het misschien ‘verboden’ hebben. En dan zou hij het toch hebben gedaan, want hij bezat een sterke wilskracht in het beoefenen van zaken, die hem konden schaden. Dat heeft hij niet alleen met mij samen bewezen, maar ook later bij zijn tweede vrouw, die wèl conservatief was en aan opvoeding tot het constructieve in de mens geloofde. Ik geloof er trouwens ook in, op mijn wijze, maar het materiaal moet aanwezig zijn. Zeer zeker was bij Aart materiaal aanwezig om zuiver te zijn als mens, zichzelf te zijn. Dat waren we met elkaar eens. Deze mens was echter vol tegenstrijdigheden, die sterk om-lijnd, uiterst schadelijk bleken voor hem zelf. Misschien was hij het levende verzet tegen de onderdrukking, die zijn gereformeerde voorouders beleefd hadden waar het om hun liefdeleven, om de ontplooiing van hun persoonlijkheid ging. In elk geval bezat Aart geen enkele rem, op welk gebied ook. Die remmen had ik losgewerkt, ik zat met het resultaat ervan, ik zat midden in de oorlog van de groenhoedjes en de misère ervan en bij mij leefde