Als kleines Kind schon hörte ich mit Beben, Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm (Brecht)
Beneden op de eerste etage woont Fred, mijn homofiele werkgever, op zolder wonen Aart en ik. Om negen uur verdwijn ik naar beneden, om de huishouding te verzorgen en vertrekt Aart op zijn fietsje naar het Gooi. Zijn pupil daar is een wat verwende jongen, niet erg leergierig, eigenwijs. Om zes uur komt Aart terug, weer op z’n fietsje, het verkeer tussen Amsterdam en het Gooi is nihil, allerlei verbindingen werken niet meer door oorlogsmaatregelen. We eten dan samen met Fred. Daarna gaan Aart en ik naar boven, dan begint ons huwelijk. Wat mijzelf betreft vind ik het best zo. Ik kan mijn eigen werk toch niet doen, we komen er zo wel, het is dan maar afwachten tot de oorlog voorbij is. We slapen op matrassen op de grond. Geen sekslok-kertjes, doorzichtige ragfijne ponnen, geen dure zeep, geen parfum. Het is wel te krijgen, maar onbetaalbaar. Geen behoorlijke stoel, geen behoorlijke tafel, geen behoorlijk bed. Maar in dat niet-bed, waarop we slapen heb ik een mooie, jonge sterke kerel, waarmee ik weer dat contact heb opgebouwd, waarvan ik het begin nauwelijks meer weet en ook niet weet, wanneer het eindigen zal. Alles hangt van ons samen af. Weer lig ik ’s nachts te luisteren naar