contact, dan loopt hij na enige tijd die kans ook. Dat zie je wel, juist met die voorbeelden uit de geschiedenis, de Pompadour met haar Parc de cerfs, en noem ze maar op, de grote minnaressen uit de geschiedenis, wat hebben die niet gedaan met afro-disiaca en tovermiddelen, bezweringen en ander raar gedoe. Maar als je de moed hebt, de ondergang te zien aankomen, en je gaat weg, dan gebeurt het dikwijls dat een man van je blijft houden. Zoals Eric. Ik ben vijf maal bij hem teruggegaan, dat weet je, Jolante. Toen ging het toch weer mis. En dan het vervloekt aan elkaar gekluisterd zijn door je huis, door je meubelen, door je kinderen, door het geld. Nou én, vraagt Jolante, wat kan je dat bed dan schelen?-Ik wil niet naast een man leven als het niet goed meer is. Het is bij ons mis gegaan sinds het met het bed mis ging. Door jou, constateert Jolante. Door mij, zeg ik, maar anders dan je bedoelt. Hij kreeg een soort hekel aan mij, omdat hij me ging kwijtraken, omdat ik niet meer seksueel horig was. En ik wilde niet seksueel horig zijn, omdat hij mij niet meer helpen kon. Dus onttrok ik mij hoe langer hoe meer aan hem. Toch was ik niet kwaad op hem, want hij kon het niet helpen, wat er met hem gebeurde. Het was natuurwet, blijkbaar. Dat blijkt nu ook wel, nu hij zelfs niet met Gine leeft. Er is zoveel natuurwet, die wij met conventie onderdrukken willen. Maar het wreekt zich, als adders die onder een steen vandaan kruipen. Zo zie ik het altijd voor me. Bovendien werd Eric onaardig, gemeen, onver