nen, had hij een verloofde gehad (begrijp goed, geen vriendin) waarmee hij het plan had te trouwen. Wel had hij hier en daar wel eens seksueel contact gehad, maar hij zag hierop terug met miezerige schuldgevoelens, alsof dat eigenlijk een val geweest was, inplaats van een te overdenken ervaring. Hij was de zoon van een trambestuurder, had vele zusters en broers, en een grootvader, die, als we bij zijn ouders op bezoek kwamen, na het eten uit de bijbel las, niet onvriendelijk, maar wel onverbiddelijk, af en toe de knoestige wijsvinger opheffend, alsof hij Gods toespraken direct in het rechteroor opving, en ze met die vinger moest aarden. De trambestuurder viel buiten deze hemelse beschouwingen van hoe het op aarde diende te zijn. Hij hield verdomd veel van een neutje, en Aart vertelde me, dat zijn vader als hij in een kroeg zijn loonzakje zat te verdrinken en moeder hem eruit wilde halen, hij de moeder bij twee schouders nam en haar eruit zette. Zeer manhaftig dus buitenshuis, kwam hij klein en terneergeslagen thuis, als de centen op waren, en moeder om de huur vroeg. De grootvader kwam van het boerenland, de moeder was zijn dochter. Zij was, in de provinciestad volop de boerse gebleven, aanbad Aart als het genie in de familie, wat hij verhoudingsgewijs ook was, vanwege zijn leraarschap, zijn heldere, intuïtieve geest, zijn drang naar meer willen weten. Wel had ze het gevoel, dat hij in een wereld terecht was gekomen, die ze niet helemaal kon begrijpen. Hij had een