Eric en vele collega’s hebben een soort contract met de bezetter getekend, er zijn maar enkele collega’s die er openlijk de brui aan geven en het toneel verlaten, iets anders gaan doen. De groen-hoedjes hebben een cultuurkamer opgericht, het is hun controle op kunst, de reine kunst van de groen-hoedjes. Jolante, Louis B., Wiel, Francis scharen zich in de rijen der Germaanse kunstenaars. Op straat, als ik ze ontmoet, staan ze zich te verdedigen. Op het toneel staan ze met schuldgevoelens. Maar ze staan er. Tot him excuus, de andere weg kan de dood betekenen.
Ik word huishoudster, het enige vak dat buiten de gecontroleerde wet staat, het enige vak, dat ik het moeilijkste ter wereld vind, het spreekt zo weinig in je aan, je staat niet in de wereld, niet in de gemeenschap, er zijn geen gerangschikte en beperkte werkuren, je salaris is gering, je hangt van een meneer of een mevrouw af, nog meer dan van Jolante en Louis B., het is voor mijn verwende, ongeoefende vingers een spierpijnverwekkende, weerzinwekkende oefening, de pot uit het nachtkastje moet leeg, de trap, de bedden, de was. Het is oorlog en er zijn slechte schoonmaakmiddelen, ik doe alles, half tegen mijn wil, ik heb de greep niet, de greep van de huisvrouw, ik heb hem nooit gehad, ik zal hem nooit krijgen, toch voel ik me niet minder dan een andere vrouw, wat voor Hollandse begrippen eigenlijk verwacht wordt. Ik ben huishoudster bij een precieze homofiele vriend. Hij ziet veel van mij door de vingers,