jasper: ïk was ’r raadsman. nanning: U?
jasper: Ik. M’n vrouw heeft al zooveel zorg in de laatste maanden gekend, dat ik die ’r buiten wou laten. nanning: Daar zit ik geslagen bij. Is u ’n vader ? jasper: Ben jij ’n echtgenoot? nanning: Ik was nog enkel ’r verloofde. jasper: Je liegt. Je was ’r man. Was. Ik zeg nog eens: was. nanning: Is mijn stijfhoofdigheid - uw vrouw had me voorgejokt - uw dochter had me voorgejokt - zoo’n halsmisdaad ? jasper: Ze hebben je voorgejokt, omdat ze bang waren voor één hoog èn bang voor jou. Ze keken mekaar telkens met angstoogen aan, als Eef, Eva Bonheur, Eva Geluk, ze tyra-niseerde - ze kregen nieuwe angstoogen als de aanstaande schoonzoon om de bron van mysterie heendraaide en zich haast brandde. . . . Als dat aanteekenen en dat vertoon op *t Stadhuis gebeurde, Nanning Storm, zou ’r na wat maanden ’n lang en onmenschelijk proces van scheiding tusschen tafel en bed volgen. Jullie past niet bij mekaar. Jij kan niet tegen armoe, heeft ze me gezegd - jij heb behoefte aan luxe, gedistingeerde boorden, zijden dassen, handschoenen peau-de-Suède, gelakte schoenen, gesoigneerde hotelkamers, prima restaurants met ’n strijkje - jij haat armoe - en zij, dat heeft ze van ’r Don-Quichotte-vader geërfd, haat - om ’n heel zacht woord te gebruiken - de armoe in ’n kleine men-schenziel, die met geen meubeltjes, geen antikiteiten, geen kanten gordijnen en dure tapijten te stoffeeren is. ., , Laat me uitspreken! Ik maak de deur in twee seconden voor je open en voorgoed achter je dicht - ’t Engagement of ’t huwelijk tusschen jou en m’n dochter is uit. . . . nanning: .... Dat wil zeggen. . . .
jasper: . . , . Je zou me laten uitspreken!. . . . ’t Is uit. Ik ken
96