nanning: Mag ik je uit Amerika, schrijven, Miep?. . . . (zij zwijgt)
jasper: Me dunkt, daar is geen bezwaar tegen, als je die
brieven niet post. ... (een stilte)
nanning: Mag ik je dan 5n hand geven, Miep?
miep: Nee. We kunnen zoo wel van elkaar gaan. . . .
nanning: Is datje laatste woord?
miep: M’n laatste. Adieu.
nanning: (houdingloos) Adieu, (af)
jasper: Wil ik sluiten?
miep: (kalm) Nee, vadertje. Dat doe ik, zooals iederen avond. (zij gaat het magazijn in. Jasper staat onrustig op, luistert aan de magazijn-deur. Als hij haar terug hoort komen, loopt hij op en neer. ZÜ den sleutel op zijn bureau, neemt *t tafelkleed van de tafel, maakt aanstalten om voor den avondboterham te dekken. Hij houdt plotseling haar handen vast, trekt haar dicht naar zich toe) jasper: Miep, m’n kind, ik kan je rustig in je oogen zien? miep: Schatlief, waarom niet?
jasper: Zul je me nooit - in de jaren, dat ik nog te leven heb -verwijten, als ik je ’n verkeerden raad gaf? miep: Ik speel voor jou geen komedie, vadertje. Ik vond ’m zoo verachtelijk en ik ben door jullie zoo verwend. . . . Als je mij maar nooit verwijt. ... (zij omhelst hem, gaat naar de keuken. Hij zit voor het bureau. Boven verschijnen Mop en Eef)
ZEVENDE TOONEEL jasper mop eef later miep
eef: Suscht! .... Liep daar niet wat? mop: Wat dan?
eef: Zag je geen muis?. ... In Godsnaam, Marietje, buk je is bij ’t orgel. ... Jij ben d’r toch niet bang voor?.....
IOI