spelen velen helen vlijd tijd nijd snijdt spreidt krijt huid bruid luid kluit fluit ruit binnenschrijdt wijd
VERZEN VAN GEORGINE CASPER
I
Stikdonkere nacht, geen enkele ster.
Duister, gelijk het graf, zwart mijn gedachte
gelijk een nevel ondoordringbaar is mijn ziel
O kon ik mijn geest die klaarheid geven
tot wetenschap en poëzie doordringen
O! daal! op mij neer helderheid des geestes
Verscheur die wolk, die mij bet genot der poëzie ontneemt.
II
O mogt bet mij toch eens gelukken Mijn best gevoel in verzen uit te drukken Een vers van schone poëzie Kon ik in verzen voor bet mensdom strijden Aan u zeggen wat velen moeten lijden O poëzie verheven Majesteit
Dring! tot mij door ontsluier mijn gedachte Mijn boezem gloeit, laat langer mij niet wachten Geprezen! gij! een godheid u gewijdt.
lil
Even als de bloem die bet zonnetje minty
de vlinder fladdert als dartelend kind
even als de roos die heerlijk van geur
bezaaid door parelendauw schitrend van kleur
even als de vogel die hoog in de lucht
vriendelijk tjilpt met vrolijke vlucht,
bloemen en vogelen minnen de zon, wijlyt al door baar bloeit
en alles in gouden glans gloeit...
Maar deze min komt in vergelijking nog met Die ik mijn lieven Alfred aanbied.
304