Herman Heijermans
Marianne
Ik lieg niet. Ik heb nagedacht, ’t Kan niet. ’t Mag niet. Ik heb alleen ja gezegd voor m’n zoon en voor u.
Pancras
Wie heeft jou bepraat?
Marianne
Niemand. Ik heb aan de deur geluisterd - toen die dokter er was -toen uw kinderen er waren. - ’t Is voor iedereen beter dat ik ga. - We hebben allebei geleerd waar we ons aan te houden hebben.
Pancras
Hebben ze je soms omgekocht?
Marianne
Ik heb vandaag zóveel gehoord, dat dat er nog wel bij kan.
Pancras
(snel) Dus ze hebben wèl met je gesproken!
Marianne
Wél of niét, ’t doet er niet toe. Ik zeg u de dienst op. Ik ga in üw belang.
Pancras
(zich driftig ’n glas cognac inschenkend en dat leegdrinkend) In mijn belang! In mijn belang! Jij bent ’n...
Marianne
Niet doen. Daar zou u later spijt van hebben. Hier is uw ring... (legt de ring op tafel. Driftig zwiept Pancras ’m naar een kamerhoek. Zij raapt hem op, legt hem op de piano) En geeft u mij een getuigschrift. Zónder getuigschrift ben ik net zo ver, als toen ik hier kwam.
Pancras
Vraag ’t hun! Schrijf er zelf een! -Je kan ’t, verdomme, toch zo goed!
Marianne
(zich bedwingend) Wilt u me dan m’n papieren terug geven? (bevend sorteert hij de papieren op tafel, werpt ze haar toe) Dank u. (gaat op de deur toe)
Pancras
Marianne! Marianne! Als jij weggaat...
Marianne
Ik ga weg. Ik ben dwaas geweest. U te goed.
110