Schakels
CO BA
(huilerig) God oh God, pa wat scheelt u toch! Als u dat mens laat lopen, is de hele kwestie van de baan. Is de nagedachtnis van moeder voor ’n man op uw leeftijd niet genoeg!
JAN
Precies wat ’k denk! Hoe kan ’n man twéé keer trouwen. Hoe kan men zich de last aanhalen?
Henk
Ik zeg geen woord meer. Ik moet naar de zaak. Coba wil jij...
Pancras
En nou jullie eruit of ik eruit.
Coba
Nee pa, u blijft thuis. Dan gaan wij natuurlijk. Dag pa! (zij, Henk en Jan af)
Hein
(op en neer lopend. Een stilte) Nou? Sta je als een schip in de mist, ja of nee? Was ’n eindje touw of een open gaskraan niet gemakkelijker geweest? - Nou? - Eergisteravond had jij toch ’t hoogste woord?
Pancras
Ze hebben een dokter gestuurd om me te onderzoeken.
Hein
Ja. Valt me nog mee.
Pancras
Ze hebben mijn en haar papieren uit m’n kast gestolen.
Hein
Valt me ook mee. Voor wat hoort wat. Je wou eergisteravond je kop niet onder de kraan houden, nou heb je ’m in een wespennest gestoken - en wat voor wespennest! -Je had ’t niet beter kunnen verzinnen - “ik” ben God zij dank verstandiger: overmorgen zeil ik naar de West - uit de buurt van de klippen.
Pancras
Ga je weer varen?
Hein
Ja. (in poging Pancras op te vrolijken) ’t Werd me te machtig. Ik kon me niet meer bewegen of ik trapte op haar tenen. Een vrouw met wie je overhoopt ligt, heeft enden van tenen, énden van tenen. Terwijl ik vaar, laat ik de tand des tijds aan haar knagen. Die liever als ik. Zit
107