195
nóch achter me was iemand .... Alleen de lamp en stilte van nacht.....
O Rebecca, godgenadig liefje!. ...
Hoho! Zit je .... daar .... nog altijd,
Mozes ? .. .. O ja, jij en ik en de mug zijn drie ! Hihi!.... Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteron, onzin, onzin! Heb jij gevast veertig nachten? Hahaha! Mahomet ging door zeven heemlen en zijn bed was warm nog toen hij kwam terug! Hahaha!
O mijn God, zieleverrukking.... waar blijft de morgen! Grauwt nimmer de morgen? Moet ’k eeuwig zóo blijven op donkere hei, met het -lijk van mijn vreemd-koude liefje?
— Semmie, mijn kind ....
— Spreekt Gij .... O Mozes!....
— Bij het luiden van troostende klanken door kamer-alleen-zijn, wil ik, dat innig-devote Vertrouwen op d’Eeuwigen Jehovah, uw kinderlijk leed tot tranen vervloeie.....
— O Mozes . .. dat zal niet!
— In nachtlijke prachtlijke stilte, in zwijgende, stijgende droefnis van moeilijke stonden