i6g
— Gij hebt gevonden ?.. . .
— Ja, ja, want ik zal Moeder worden.
— Rampzalig kind !...
— Zeg niet rampzalig vader !.... Ik ging door het bosch op dag dat de Zonne gulden verrukking op bladerbedauwen breede verspreidde. De bodem kussen-begloeide zachte mijn voeten, die gretig-tastende drukten de heete bestrooming van zonnigen adem.
Ik strekte mijn lijf op de stralende Aarde, die dankbaar het droeg en het blarengegroen was boven mijn hoofd in suizend gejodel, in lispend gefluister, in zuchtend verlangen, in weenend zinnen-omvangen. Tierelierlo .... Tierelierlo Kweelend, hartstochtelijk fluiten koorde onzichtbaar in ’t golvend gewelf. Van het licht in het groen, van het groen in het licht wiekten de vogels en wreven de bekjes in puntig geduw, stoeiend en schaatrend van zonnige pret. Langs me heen snorde een bij, hommende, brommend voorbij, gonzende neder in kelk van een bloem, die vurig-scharlaken bij grassprieten knipte. Zacht zoog de bij den zoetigen drank en snorde weer, wittige streep,