den bevroren aardpoel. Benee, loopend over < piepende planken, tusschen de greppels en smakten ze de steenen op een vierkantp laag bij de heimachine.
Anderen reden heipalen, bungelend aan kettingen tusschen tweewielige karren.
beurten grepen de lossers ’n vracht steenen, de handen in roodleeren wikkels. En die dan zwaaien
d op ’t kusseo
dat den schouder dekte, daalden ze de ladder af naar
de kreunend-paalstompen,
En omdat een paal z’n draai verkeerd Üad genomen, tegen de overzij-stoep stuitte, wachtten de voetgangers, bang voor ’t ruwe gerol dat de keien bedreunde. Eerst toen de ketting verlegd was en ’n breedschoftig paard de pooten schrap-zette, dompte de paal naar benee, bol van smak — werd de straat weder vrij.
Het nauw, vunzig-muffend trapje oploppend, tweehoog achter, klopte hij aan.
’t Bleef stil. Waren ze niet thuis?
Harder tikte-die, draaide de kruk om.
Yoor ’t kleine venster zat ’n meisje te slapen, ’t hoofd langs de stoelleuning, de armen futloos vergleden. Ze geleek was-bleek, met scherpe gelaatsjukkfen.
Aarzlend, de hand aan de deur, niemand anders ziend, 'r niet herkennend, denkend dat-ie verkeerd was, wou-ie weer heengaan, toen ze wakker werd en zander ’t hoofd te verlèggen, als iemand die öp is, vroeg:
».. „ Wie is daar?”
Op ’t raampje toestappend, glimlachte hijj.
»Kennen we mekaar niemeer, Eitje?”
Opzittend, moe van gebaar, knikte ze.
»Is Juda niet thuis?
»Nee.”
»En moeder?”
»Nee.”
»Dan wacht ’k effen — as ’k mag.”
Over ’r zittend aan ’t withouten tafeltje] zag-ie eerst hoe wit ze was, hoe hol 'r oogen stonden, |ioe ’r handen smalden. In geen jaren had-ie ’r gesproken. As-ie Juda
204