Diamantstad

Titel
Diamantstad

Jaar
1922

Overig
3ed

Pagina's
268



lieden — ’r was pas dien morgen 'n optocht, ’n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk konden krijgen, as ze driestheid van éischen-stellen lieten varen, zette 'n dubbelen wrok. Wat morgen? De bevroren ruiten met ’r krinklend gevlam van manelicht-bloesems, ’r sneeuwwitte kelken, bessen, lovers en stekels, brandden in z’n oogen. Nou lag-ie sullig en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, ’n paar straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café’s zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen susten, ’t Dek over z’n koud-ge-worden voeten trekkend, de oogen in gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie niet zou begaan. Maar ’t was slaap-knuffiend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen van sluwen diefstal — dat ze je niks konde lappe en je geld bij de vleet kreeg. In z’n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van ’t huis beluisterend, ’t hoesten van Poddy, ’t schreeuwen van Bekkie bij Suikerpeer, had-ie ’r plezier in gekregen de detective-verhalen te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie ’t dee met ?n zakkie peper, of met ’n ploertendooier ergens op ’n stille gracht — of loerde bij Wolf, ’t pandjeshuis, waarvan Saartje ’m had verteld, tot de vrouw of de dochter alléén was, of ’n ruit indrukte van ’n effectenkantoor, of ’s nachts bij rijke menschen — en ’n pond groene zeep meenam voor ’t vallen van de glasscherven. Woelend, dwaas van scherpzinnigheid, had* ie bijzonderheden liggen wikken, hoe-ie ’n pet zou opzetten, die nog niemand van ’m gezien had en z’n jas met de voering naar buiten dragen voor ’t signalement, en ’n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend, log van murmureeren alsof ’n snikkend-warm ding in z’n middenhoofd wroette, tobde-die hoe ’t kon, hóé ze 't deeën de échte misdadigers, de roovers-van-ras. Slaapsoezend, half in droom, zon-ie nog — want om 'n













175

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.