zonder diepte van licht. Nergens zag je ’n wolkje — overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin verdikte, alsof daar ’n keel stond te gurglen en ’n strottenhoofd angst-walmen hijgde. De gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand, staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen ’r steil-groeiende wanden — strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken — werd je haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken ’t dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van doortrapte en weer bevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen, de. lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht, die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed, de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd — zoo ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie der menigte — zoo móést ’t wel zijn. O, op een zomerschen dag, bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd hebben gestaan, zouden ze niet dulden 't lange gepraat van een paar angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in ’m op. De pupillen van z’n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor ’t eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door een macht* een geweld, eene ontroering die z'n gelaat verbleekten, z’n stem schel deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl ’t applaus nog na-rommelde, schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegen dat-ie even struikelde, de knie pijnlijk stiet — klemden z’n handen ijskoud, gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade, keek-ie doodsbleek, de oogen vaalblauw omwald naar de geweldige, plotseling dierlgk-beangstigende koppenmenigte. Een oogenblik meende hij
162