XI.
Gehurkt in de bedstee, kreunend en vloekend, hield de poolsche jood de deur open. Z’n stok kromde als een hand om den knop, viel op den grond toen ze de trap af kwamen.
„Mod-’k me tong uit me bek schreeuwe!", snauwde hij, hijgend — : „waar ... waar .. .* ’n Logge slijmhoest benauwde hem plotsling, doorbaste ’t beenig lijf. De nagels in de bedsteeplank gewrongen, den vaalrooden rimpelkop met de wilde baardslieren diep in stuip-schudding gebogen, kraakhoestte-die, inslurpend den adem met fluitende kreunen, dan weer donker-rogglend op braken af. Het schuimig kwijl droop langs den baard op den paarsgroenen borstrok, alle sneden in ’t harde gelaat werden wit door ’t gespan van de huid, ’t vinnig gezwel aan den mondhoek purperde fel alsof ’t zou bersten.
„Drink-’s, vader!* —, riep angstig Rebecca.
Driftig weerde hij ’r af, richtte pijnlijk-grijpend zich op. De deken glee en bij het reutelend hijgen, dat den kop ver-paarste, de aêren zwart-striemend deed zwellen, kwam de heup met ’r bloedende wonden en gaten bloot. De lappen grijsklamme pap, vervuild en doortrokken van strooperig bloed, zakten het been langs tot over de knie. Een oogenblik klonk ’t raspend geroggel, ’t slurpen der strot zoo klagerig-scheurend, dat Rebecca begon te schreien en Eleazar dacht dat-ie zou stikken.
„Drink dan ’s, vader!" —, huilde ’t meisje, ’t glas in de angstig-bevende hand.
„Hoor je niet, Poddy? Drink is! —", drong Eleazar aan, zelf ’t glas nemend. Stomphijgend, lippen die koortsig mumden, slikte de zieke en opnieuw hoestte hij rauw, wringend ’t lijf uit het dek, de oogen beloopen, den mond als een smartgeul in ’t schuim en de kwijlige klodders van den baard. De bedstee stond in schemer. De deur aan de raamzij, schuinopen, onderschepte 7t licht van *n raam, goor van stof bultige ruitjes, waarachter ’t schubbig vaal-slijkrig kwakken en ribblen van ouwe dakpannen. De poolsche jood, half naakt, de ettrende heup
150