schepseltje dat-ie zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen — zij stond in schuiling van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends — enkel oögen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze straks weer in daglicht zou sjokken, zou 'r vervuild halsvel dat-ie had opgelet, ’m hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van ’n onnatuurlijke schoonheid — fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte, zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daareven de fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich ’t kopje van ’n Engelsche danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag, het hoofd op ’t schuim van crême-cachemier — zoo kulde ’t licht met flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in, glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach, 't wenkbrauwen-zwart als ’n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de zuil geslagen.
Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.
De deur werd hersloten. Zg, in de weer volgroeide stilte, had zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid —, hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid van 'n malle schaamte. As je ’n meissie zoo ankeek, zoo smérig ankeek, zoo minuten-lang — zij je oogen vasthield, m zich nam, zonder verzet, zonder weerstand, alsof ze zich gaf — dan was ’r goors gebeurd — bleef ’r ’n rillerigheid over je, voelden je handen klam-zweetig na, werd je dagschuw wakker in ’n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen en geilen.
En hij vond ’r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker voor 'm kunnen staan — als zoo pas tegen die zuil aan.
114