Nu, bij het ^stadig regen-neerdrensen, kreunde de steeg eene zwijgende, passieve smart over 't bewegen der joden, was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven, ’t éénig verzet.
Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de zakken — telkens als de dag ging zonder doel, had-ie uren en uren die ’n ander voor ’m scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten, kijken, praten, Hren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde — droomend, alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat, keek naar ’n slop — waar, achter ’t water, de pootige vormen van eene fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als ’n rotsen silhoëet, inhijgend de grysbolle weekheid der wolken, soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met ’r vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van ’t licht goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen — de rij er boven was zacht-lichter van glans — daar boven hadden de ruiten het straf, plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer, harder, door die stille glanzende ruiten, wier melkwittig spieglen het weeke der grijsbolle wolken bij ’t dak van ’t gebouw in vloeiing greep en herhaalde. Starend-indroom, keek Eleazar beurtlings naar 't afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en naar ’t ruiten-spel dat het schuiven en glgden deed wederkeeren. Het werden twee luchtruimen die in dam-ping en nevel bewogen. Donkerde in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als ’n roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling, het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was ’t weg,
108