Nóg antwoordde hij niet. Zonderlinge verlamming was om zijn wil, om zijn denken. Alles was hem om het even, wat ze dee, wat ze zei. Maar opeens in paroxisme van woede, zenuwuitbarsting begon ze met het blonde hoofd tegen de tafel te slaan, dat de glazen rinkelden en ’n vork door de dreuning op de grond viel. Ze leek wel waanzinnig van opwinding. Dat dompe bonzen schrikte hem op uit zijn willoosheid, dreef hem in woede uit zijn stoel. Het schandaal voor de meid. Ruw greep hij haar bij een arm.
‘Ben je krankzinnig. . .! Veux-tu finir! Veux-tu m’écou-ter!’
Zij blind van woede en opwinding - alles kropte nu los, stoof op, heen en weer lopend, de handen wringend, luid-uit, zonder aandacht voor hem klagend, klagend, smartelijk-klagend, stem die tot schreeuwing oversloeg.
‘. .. O God! God.. .! wat ’n ellendeling om z’n mond te houen... als ’k zó soebat... zó soebat . .Veux-tu te taire. . .!’
‘. . . O wat ’n huwelijk! Wat ’n huwelijk. . .! Hoe kom ik van die man af. . . van die kerel... die kerel!. . . ’
‘. . .Als je niet stil ben voor de meid, voor de meid. . .’ dreigde hij, hees, razend, toch met besef van die vréémde, die luisterende vréémde in de keuken.
‘.. .O, o... ging ’k maar dood... Had ’k maar de moed. . . de moed...’ klaagde zij door, luid-snikkend, ‘om me zo te behandelen...! zo te behandelen...! Ik haat je, haat je, haat je...! hoor je. Ik haat je en dat mag iedereen
Die laatste woorden had ze harder nog uitgerauwd. Maar plots kwam er een stilte, een zonderlinge stilte. In zijn
151